Vrijdag. De laatste vakantiedag in Westendorf. We wandelen naar het zwembad om nog één duik te nemen. Dat gaat niet door. Het hek is dicht en er zit een gigantisch hangslot op. Geen briefje. Niks. Op de website staat dat het open is. Dat is dus niet zo! Nou dan lopen we toch lekker weer terug.
’s Avonds, nadat we alle kliekjes uit de koelkast hebben verorberd, loop ik met Bart en Lina nog een rondje door het dorp. ‘Ik ga niet mee, mam,’ zegt Anna, ‘ik heb het dorp al gezien.’ We horen de lokale blaaskapel en gaan kijken. Het is het jeugdorkest. Ze moeten nog een beetje oefenen, maar het klinkt supervrolijk en iedereen klapt lekker mee als ze de Radetzkymars inzetten. Lina vraagt waarom er een drummer in een blaasorkest zit. ‘Ik zou wel die drummer willen zijn,’ zegt ze, ‘niet dat geblaas.’
We lopen langs de kerk en vinden daar het ‘Friedhoff’. ‘Hebben ze hier ook patat, mam?’ vraagt Lina. Uh, nee. De begraafplaats heeft de afmeting van een half voetbalveld. Bijna alle grafstenen hebben een bloemenperkje. De rustplaatsen van de overledenen worden goed verzorgd. Bij het poortje staan grote gieters. Heesterrozen, kosmea en weduwebloemen geven gek genoeg een soort opgewekte, serene sfeer. Lina leest de jaartallen op de stenen: ‘Mam, deze jongen is maar vier jaar oud geworden, als jij dood bent, wil je dan begraven of verbrand?’ Ik weet het niet, het maakt me niet zoveel uit. Misschien een klein plekje op de Nieuwe Ooster, of strooi me uit bij die grote boom bij de atletiekbaan. ‘Is goed, mam, dat regel ik dan, maar ik hoop dat het nog heel lang duurt.’ Dat hoop ik ook.
Die nacht slaap ik voor geen meter. Ik droom dat ik in mijn eentje wegrij, zonder de koffers en zonder mijn gezin. Om drie uur word ik wakker. Daarna droom ik dat ze mij vergeten. Zit ik hier, op die berg.
Zaterdag. Zeven uur. Het zou in een keer kunnen, de reis naar Nederland, maar we hebben geleerd van de lange heenreis dus we overnachten onderweg. Bij het bord ‘Frankfurt’ roept Anna: ‘Even zwaaien naar Cracktown!’ Nu, tweeënhalve week later kunnen we er gelukkig om lachen. Deze tussenstop is hopelijk minder stressvol. Een stadje dat Bad Homburg heet. Rond het middaguur komen we aan, want als je dingen plant, zijn er ineens geen files, maar er is wel tijd om de stad te verkennen.
Eerst een ijsje, dat eten we al zittend op een bankje voor een kerk. Er komt een bruidspaar door de grote, houten kerkdeuren naar buiten en er worden rozenblaadjes gestrooid. Even later wandelen we langs nog een kerk. Er staat een bruidspaar op het pleintje voor de kerk, er liggen rozenblaadjes om hen heen. Dan bekijken we het slot, een kasteeltje. Onder de boom voor het kasteel vindt een fotoshoot van een bruidspaar plaats. Er liggen rozenblaadjes onder de boom.
Ik krijg een groundhog-day-gevoel (kijk die film als je hem niet kent), iets met déjà vu. Wat is er aan de hand? Is er een bruiloftsvirus? Zit er iets in het bronwater waardoor je supersnel verliefd wordt en meteen wilt gaan trouwen? Ik zoek het op. Ah, het is de achtste dag van de achtste maand, blijkbaar is het een uiterst populaire trouwdatum, vanwege de achten die oneindigheid symboliseren.
Onderweg herhaalt het patroon zich, en bij de zesde kerk met bruidspaar, waar wel honderd mensen, weer met rozenblaadjes, staan te strooien, zegt Bart: ‘Zullen we hier een drankje halen? Niemand die het merkt.’ Anna en Lina zijn er wel voor in maar ik durf dat natuurlijk niet. ‘Kom, we gaan zwemmen,’ zeg ik, om ze af te leiden. Dat werkt.
In het hotelzwembad liggen vijf, tja, wie liggen erin? Mensen die overduidelijk liever drijven dan zwemmen. Lina probeert een flik-flak onderwater, maar dat is hier niet de bedoeling, horen we aan het gezucht en gesteun om ons heen. Het water is eenendertig graden, net zo warm als de buitentemperatuur. Na een paar voorzichtige baantjes houden we het voor gezien.
We eten noedelsoep, springrolls en rijstrolletjes bij een fantastisch Vietnamees restaurant om de hoek van het hotel. Als toetje halen we nog een ijsje, we krijgen het niet op. Het is te veel, het is genoeg zo, het is goed zo.
Zondag. Het laatste hotel-ontbijt. We zitten aan de tafel in het midden van het restaurant. Terwijl we genieten van verse jus d’orange, eieren en pannenkoeken, observeren we hotelgasten. Een man loopt kordaat, in een rechte lijn, naar een tafeltje bij het raam. Zijn vrouw volgt hem en stopt even bij het buffet. De man zoekt haar zichtbaar en, als ze oogcontact maken, gebruikt hij zijn wijsvinger om aan te geven dat zij met spoed op de stoel voor hem moet gaan zitten. Ook zien we een dame in tien minuten tijd vier keer naar de champagnebar lopen. Ze zit in haar eentje aan een tafel. ‘Dat wordt een vroege middagslaap,’ zegt Bart, ‘en dan heel lang wachten tot het volgende ontbijt.’ Ik vraag me af of er iemand op haar wacht als ze straks naar haar kamer loopt. Ik vind het een verdrietig beeld, maar als ik naar het gezicht van de dame kijk, denk ik dat Bart weleens gelijk kan hebben.
Tijd om te gaan. Hè, weer geen file. ‘Zullen we nog een kroketje gaan eten bij dat restaurant net over de grens?’ vraagt Anna. Welja, we hebben geen haast, dus we parkeren bij de Toekan in Duiven, vlak naast de snelweg. Nog een keer lunch, met z’n vieren. Net na de middag rijden we Amsterdam binnen. We slepen onze bagage naar boven en verkennen het huis. Julia zou voor ons koken maar ze kon werken en dat gaat voor. Dat begrijpen we. Aan de staat van de planten zien we dat er wel meer is voorgegaan. Maar het bed is verschoond! ‘Wanneer doe je de was, mam?’ vraagt Anna. Fijn, we zijn weer thuis.

Geef een reactie