Woensdag. Klimbos staat nog op het lijstje met dingen die we graag willen doen. Bart heeft last van zijn schouder. Hij blijft in het appartement met zijn boek over Joegoslavië.
Ik realiseer me dat ik sinds we vertrokken uit Amsterdam geen auto heb gereden. Als ik het aanbied, zegt Bart altijd iets van: ‘nee, hoeft niet, laat mij maar rijden, ik vind het wel lekker.’ Mijn vader reed ook altijd, en mijn moeder las kaart. Godzijdank is er nu digitale routebeschrijving. Dat scheelt een hoop crisis in de auto.
Dus een beetje onwennig stap ik in, met Anna en Lina, die heel veel zin hebben om te gaan klimmen. Na drie bochten vraag ik me af waar ik me druk over heb gemaakt. Ik kan gewoon autorijden. Tjongejonge.
Op de parkeerplaats bij het klimpark zoek ik in de achterbak naar handschoenen. Die zijn verplicht. Ze liggen nog in Amsterdam. Natuurlijk. We kopen wéér nieuwe. Inmiddels hebben we er zoveel dat we met een volle basisschool-klas zouden kunnen gaan klimmen. Ik vloek drie keer en probeer dit los te laten.
Het park ligt halverwege de berg in St. Johann in Tirol, dus we nemen eerst een gondeltje. Eenmaal in de klimgordel gehesen vertelt een serieuze, Duits sprekende instructeur wat de bedoeling is. Als twee jongens met elkaar staan te kletsen kijkt hij ze streng aan en vraagt: ‘ihr wisst alles schon?!’ Tijdens de rest van de uitleg durven ze niet meer te bewegen. Deze Oostenrijkers doen het grondig: een extra karabiner aan de klimgordel, een katrol voor de tokkel. Alles dubbel gecheckt.
We klimmen de makkelijkste route die ik al best pittig vind. Dat komt onder andere doordat het niet bepaald koel is hier. Zelfs al bevinden we ons tussen de hoge naaldbomen. Ik ben blij dat we achter een sloom groepje zitten. Een hele bange vader. Zijn twee kinderen roepen: ‘Hou vol pap, je kunt het, we wachten op je!’ Daardoor krijg ik mooi even adempauze na elke hindernis.
Na de eerste klimtocht drinken we cola en eten we een ciabatta en een bretzel. Klaar voor het echte werk. Ik wil er wel een goed verhaal van maken, maar vandaag zit alles mee. Het spannendste stukje is dat Lina twijfelt of ze de tokkel over het meer wel durft te doen. Ze weegt eenenveertig kilo en het minimale gewicht is veertig. ‘Ik weet het niet, mam, wat nou als ik halverwege dat meer blijf hangen? Hoe kom ik dan weer aan land?’ Ik stel voor om de strenge instructeur om advies te vragen. Hij voorziet ‘kein Problem’. De moeder (hij wijst naar mij) moet eerst en kan dan de hulplijn aangeven. Lina is gerustgesteld. Ze zoeft als een blije bij over het meer. En nog een keer, en nog een keer, en nog een keer.
Donderdag. Hoera ik ben jarig! Ik heb zelf slingers meegenomen en Bart heeft ze opgehangen. Als cadeau krijg ik een heuse sachertorte met een lieveheersbeestje erop en de tekst: ‘Viel Glück’. Van Lina krijg ik een doosje kamillethee. ‘Word je lekker rustig van.’ Het heeft de afgelopen twee weken onderin haar tas gezeten, ze heeft het goed verborgen gehouden. En ze heeft nog een cadeau bedacht. Ik heb eens gezegd dat ik zo graag weer eens paard zou willen rijden. Marinka, de moeder van een vriendin van Lina, die kan dat, en zij wil wel een keer met mij mee. Van Anna heb ik een spel gekregen, Skyjo, kunnen we samen doen! En Julia heeft me gebeld. Ik voel me superjarig met al deze lieve gebaren.
In de middag wandelen we naar het zwembad, dat zo goed als leeg is omdat het iets minder warm is. We genieten van het privé gevoel en als de wolken toenemen lopen we rustig terug zodat we precies op tijd binnen zijn voordat het begint te regenen. ’s Avonds eten we bij Hotel Post. Binnen, in de ‘Stube’, zo’n heerlijke, knusse, houten, met kussens bekleedde hoekbank.
‘Wij willen wel weer naar huis, mam,’ zeggen Anna en Lina. Zij missen hun vrienden. De een wil tennissen, de ander naar de bioscoop. Ik begrijp het, maar ik zou nog wel een weekje willen blijven. Om te wandelen, te schrijven en te kletsen met wat Oostenrijkers. Bart vindt ook dat we genoeg tijd met elkaar hebben doorgebracht. Misschien gaat hij nog een paar dagen in zijn eentje weg. Ik snap het wel. Even niemand, dat ken ik ook.
Terwijl ik in bed lig hoor ik de regen rustig op het houten dak tikken. Anna en Lina willen naar huis, Bart wil weg, in zijn eentje, ik wil blijven. Vier mensen, vier meningen. Zo tegen het einde van de vakantie gebeurt er niet zoveel, en dat is prima. Morgen nog een laatste dag en dan gaan we richting huis.

Geef een reactie