Vrijdag. Zwemmen, ontbijten, zwemmen, lunchen, binnenblijven tussen twaalf en vier, zwemmen, zwemmen, nog een keer zwemmen, alle restjes opeten, inpakken en naar bed.
Ik ga het niet hebben over de wespen.
Zaterdag. Vanwege onze teleurstellende ervaring met de reistijd op de heenweg, te veel toeristen, files en afgesloten tunnels, besloten we te vertrekken zodra het licht wordt. Achttien minuten over vijf. Er zijn drie wegen die naar Westendorf leiden en na een discussie met Claude, of het nou wel of geen zwarte zaterdag in Duitsland is, (wel) gaan we voor de middenweg. Via Slovenië, de Karawankentunnel en in Oostenrijk de Felbertauerntunnel.
We rijden opgelucht over de bochtige wegen langs de kust en kijken nog een keer naar de ongelooflijk blauwe Adriatische zee. Opgelucht zeg je? Ja, inderdaad. De reden daarvoor past niet in dit gezellige vakantie-blog. Daar ga ik binnenkort eens een los verhaal over schrijven. Kleine cliffhanger.
Ik ben in ieder geval blij dat ik de discussie van Claude heb gewonnen want als we via Duitsland waren gegaan waren we er nu nog niet geweest. Dus het ging zoals gehoopt. Er waren al veel mensen onderweg maar we konden rustig doorkachelen. Slechts tien minuten wachttijd bij een toilet en eenmaal door de tunnels met nog een uurtje te rijden, strijken we neer op een zo goed als leeg terras van een Gasthaus met uitzicht op de toppen van de Hohe Tauern, waar een keurige man in keurige lederhose ons voorziet van Oostenrijkse tosti’s, dik belegd met Oostenrijkse kaas.
Ik ga het niet hebben over de wespen.
Rond twee uur rijden we Westendorf binnen. Officieel kunnen we pas om vier uur inchecken. ‘Alles zat mee!’ zegt Bart enthousiast tegen de huismeester van het appartementencomplex. De man glimlacht en antwoordt, in onze eigen taal, met een zachte g: ‘Hier zat ook alles mee, jullie kunnen de auto parkeren en de spullen uitpakken want de kamers zijn al klaar en beschikbaar.’
We hebben een penthouse, net als thuis, alleen hier is het uitzicht in plaats van de nieuwe Ooster en het Amstelstation een berg die je normaal alleen in films ziet. Ik zal er een foto bijzetten, dan kun je het zelf zien.
Ik ga het niet over de wespen hebben.
We vallen in een lange middagslaap. ’s Avonds eten we Wienerschnitzel bij Glennie’s, het restaurant dat is versmolten met de accommodatie. Na een Irish Coffee, een milkshake, een ‘heisse liebe’ (don’t ask) en een witte-chocolade-met-spongecake-en-slagroom is het mooi geweest.
Terwijl Anna en Lina op hun kamer nog wat lezen, of een film kijken, loop ik met Bart nog een rondje door het dorp. Het is negen uur, al donker. Op elke hoek zit een restaurantje met soms een sfeerverhogend Tirools bandje met minstens een accordeon. Aan de tafels zien we mensen lachen, eten, ontspannen. De huizen hebben hier veelal een houten balkon met de beroemde hanggeraniums. Hier krijgt het spreekwoord van deze bloemen een andere betekenis. Ik zou het geen straf vinden erachter te moeten zitten.
Zondag. We doken gisteravond ons bed in en ik kan me niet herinneren dat ik me heb omgedraaid in de nacht. Geslapen als een blok. Gelukkig heb ik de boodschappen gedaan toen we aankwamen want op zondag is hier alles dicht.
Zal ik het toch nog even over de wespen hebben? Wat kan ik erover zeggen? Je weet hoe ze zijn. In Kroatië gingen we dus niet eten aan de picknictafel maar in de afgesloten serre. Vanwege de wespen. Op het terras van het Gasthaus met het uitzicht op de bergtoppen dronken we razendsnel onze drankjes leeg. Vanwege die wespen. En vanochtend, toen we alle deuren open hadden gezet, vlogen ze naar binnen, en het nadeel van dit ruime, lichte, solide appartement is dat het heel hoge ramen heeft. Waar we niet bij kunnen, en dat weten ze! Ik kijk hoe ze tegen het glas botsen, met het berglandschap in de verte.
Maar ik denk: als dat ons enige ‘probleem’ is deze week, kom dan maar met die beesten. Er is wel meer aan de hand in de wereld. We gaan genieten. In Wespendorf, uh, Westendorf.

Geef een reactie