Maandag. Kan ik zeer kort over zijn. Zwembad.
Dinsdag. Bart stelt voor om met het eerste gondeltje vanuit het dorp omhoog te gaan en een wandeling te maken. Lina gaat mee, Anna absoluut niet. Als we uit de Alpenrosenbahn stappen, op 1770 meter hoogte, merken we dat onze longen een beetje moeten wennen. Kleine stapjes zetten we.
Na een uurtje wandelen, omhoog en omlaag, over brede en minder brede paadjes, komen we bij het Brechhornhaus. Het laatste stukje worden we ingehaald door een kleine bevoorradingsvrachtwagen die met hoge snelheid over het smalle bergpad raast. Verbaasd kijken we naar het opgewaaide stof waar we ons in bevinden. Met de auto kom je hier dus ook! Via een flinke trap bereiken we het terras waar zeker tweehonderd zitplaatsen zijn, maar wij de enige gasten.
Apfelsaft, Apfelstrudel, Schwarzer tee en een cappuccino. Daarna weer terug naar de gondel. Ik ga lekker, ik wil nog wel verder lopen. Bart ook, maar Lina wil zwemmen. ‘Je kunt ook naar het mittelstation wandelen,’ zegt Bart. ‘En dan neem je vanaf daar de gondel. Ga ik wel alvast met Lina naar beneden.’ Ik kijk naar het pad dat in het bos verdwijnt. Ik wil wel. Maar liever niet alleen. ‘Het pad is heel breed,’ zegt Bart, ‘gewoon een soort weg. Dat kun je makkelijk.’
Voor ik antwoord kan geven, zie ik ze al richting de gondel lopen. Ik kijk op de wegwijzer. Een uur en een kwartier staat er. Dan kijk ik naar het pad. Er liggen veel losse steentjes en het is steil, ik zie niet goed waar het heenloopt. Voordat ik vertrek, smeer ik me nog eens extra in. De zon fikt lekker hierboven. Ik heb anderhalve liter water, een regenjas, twee appels en een fluitje bij me. En ik draag twintig jaar oude bergschoenen. Zitten als pantoffels. Voorzichtig, met kleine stapjes, loop ik het pad af richting het mittelstation. Na tien minuten wandelen gaat het pad over in een weiland. Ik slinger om de koeienvlaaien heen die erbij liggen als een hinkelbaan voor gevorderden en volg de gondel die links langs mij naar beneden gaat. Nog tien minuten later kom ik bij een gele pijl die schuin het bos in wijst.
Dit is helemaal niet ‘een soort weg.’ Ja, voor een alpenbok. Kleine stapjes tussen de boomwortels van de hoge naaldbomen, met hoogteverschillen van vijftig centimeter. Als ik nu val, dan vind niemand me ooit meer terug, denk ik. Een voordeel van de bomen is dat ze voor verkoeling zorgen. Die heb ik hard nodig want het vraagt behoorlijk wat inspanning om me hier doorheen te laveren. Ik weet niet hoe lang later, maar er is licht aan het einde van het woud. En een bankje waar ik een appel naar binnen werk en de helft van het water drink. Ik doe mijn petje af en kijk in de verte, de bergen zijn zo mooi. Gelukkig.
Ik moet verder, langs een clubje koeien. Ze grazen rustig door. Deze wandelaar is niet boeiend voor ze. Aan het eind van het weiland is een klaphek en weer een geel bordje. Alpenrosenhütte. Nu kan ik twee dingen doen. Doorstappen naar het mittelstation, waarvan ik geen idee heb hoe ver dat nog is, of lunchen bij de Alpenrosenhütte. Natuurlijk doe ik het laatste. Ik ben niet helemaal doorgekookt, al trillen mijn benen en ben ik blij dat ik goed en wel uit het bos ben gekomen.
De hut blijkt een gasthaus-achtige tent. Zo eentje waar je in de winter voor het terras je ski’s uitklikt. Je belandt in een ligstoel waar je voorlopig niet meer uit wil. Er zitten vier Oostenrijkers aan een lange tafel. Na een ‘Grüß dich’ vragen ze of ‘alles in Ordnung’ is. Blijkbaar zie ik er zo uit dat deze vraag noodzakelijk is.
Ik vertel dat ik van de top naar beneden aan het lopen ben. ‘Alleine?’ vraagt een van hen met een verbaasde blik. Ze zijn zichtbaar onder de indruk. Ik hoor van ze dat ze uit Innsbruck komen en bevriend zijn met de eigenaar van de Alpenrosenhütte. Aan de grote lege bierpullen te zien zitten ze er al een tijdje en ze nemen nog een rondje. Hoe ver is het nog naar het mittelstation, vraag ik. Ongeveer drie kwartier. Ik bestel Kaiserschmarrn, dan heb ik genoeg energie om straks dat laatste stuk naar beneden te wandelen.
Nadat ik het pannenkoekgerecht tot en met het laatste flintertje naar binnen heb gewerkt, maak ik me klaar voor de laatste etappe. Ik weet niet of het door het eten komt of door de vrolijke conversatie met de Oostenrijkers, maar ik ben in dertig minuten bij het gondeltje. Een stuk over de weg en ook weer een stuk door het bos, maar nu weet ik dat ik het kan. Kleine stapjes.
Eenmaal in het appartement vind ik Bart, Lina en Anna onderuitgezakt op de bank. Bart vraagt hoe het is gegaan. Oh prima, zeg ik, het was ‘gewoon een soort weg.’

Geef een reactie