Vrijdagmiddag, kwart over vijf. Op het tennispark is geen kantine, alleen een soort keet met een plastic luifel, zoals van een caravan. Een van de ouders van de tegenpartij vraagt of we iets willen drinken. ‘De kantine’ (hé, toch een kantine!) is dicht, maar er staat een koelkast met blikjes cola.
Wat gaan we eten? Meestal een tosti, maakt niet uit wat, als het maar vult. Maar nu zitten we vlakbij een dorpje. Daar moet toch minstens een snackbar zitten, denk ik.
Via Google Maps ontdek ik ‘Greg’s Snacks’, vijf minuten lopen. Tien minuten later zwaai ik de deur open van deze snack-speciaalzaak. Het is half zes en dat is, aan het aantal klanten te zien, spitsuur in dit dorp. Even denk ik dat ik in een bloemenzaak ben beland maar het blijkt dat het de openingsdag is. ‘Ze hebben drie jaar lang friet verkocht vanuit een keet,’ weet een buurtbewoner me te vertellen. Oh, die staat nu zeker op het tennispark, denk ik. Ik zeg het niet hardop.
Mijn allereerste baantje was in een snackbar, De Luifel, een bijzondere naam, want aan de buitenkant was geen enkel afdak om onder te schuilen. Zes jaar lang werkte ik er elk weekend, in een tent waar de Keuringsdienst van Waren met grote regelmaat langskwam, en dan niet om een prijswinnende nasibal te proeven.
Het contrast van de staat van deze snackbar met die van De Luifel kan niet groter zijn. De witte tegels boven de frituur glanzen. Het plafond is verlaagd en bedekt met een wollig spulletje waardoor het muisstil is in de zaak, zeker gezien het aantal mensen. Ik heb dit even voor jullie opgezocht, het blijkt akoestisch spuitplafond. Ook moet er een zeer geavanceerd afzuigsysteem zijn want dit is de eerste snackbar waar het niet naar friet ruikt.
De rij voor de kassa wordt vlot korter. En de vier medewerkers die de bonnen verwerken hebben afspraken gemaakt met elkaar. Een zorgt dat alles in de frituur terecht komt, een doet de bakjes en sausen, een haalt alles uit de frituur en een pakt het in papieren bakjes en zakjes.
‘Drie kaassoufflés, twee patat met, vijf kroketten en een broodje hamburger.’ Niemand reageert. De medewerker herhaalt de bestelling. Een jonge man staat op. ‘Ik had drie kroketten en vier kaassoufflés, de rest klopt.’ De medewerker kijkt naar het bonnetje. ‘Oh, dan is jouw bestelling al door iemand anders meegenomen.’ Ik kijk naar de vrouw naast me, ze kijkt terug en glimlacht, we kijken naar de andere klanten om ons heen, iedereen kijkt verwachtingsvol naar elkaar en naar de toonbank. Ondertussen heeft de medewerker die zorgt dat alles in de frituur komt, er een kaassoufflé in gelegd. ‘Een paar minuutjes, komt goed,’ zegt hij. We halen opgelucht adem. Dan gaat de telefoon. De medewerker aan de kassa neemt op. Stilte, hij luistert. ‘Wat mist u precies?’ Zijn blik schiet naar het bonnetje op de toonbank. ‘Twee kroketten,’ herhaalt hij langzaam, hardop, half tegen de telefoon, half tegen de zaak. Hij kijkt naar de frituurpan, naar het bonnetje, naar de jonge man. De toeschouwers houden hun adem in. ‘U komt ze zo halen? Geweldig.’ De medewerker die zorgt dat alles in de frituur komt, legt twee verse kroketten in het vet. Wij ademen weer uit. De kaassoufflé van de jongeman is inmiddels op temperatuur en de twee extra kroketten mag hij meenemen.
Ik zou er nog uren naar kunnen kijken, maar ik weet dat je niet moet sollen met hongerige tieners. Ik wandel vlot terug naar het tennispark waar de eerste wedstrijd is verloren. Patat is een goede troost. Ik pak mijn bestelling uit en zie twee bakjes mayonaise. Er is waarschijnlijk ergens iemand die een bakje mist. Maar ik weet zeker dat het goed wordt opgelost.
Geef een reactie