Donderdag. We overnachten twee keer voordat we op onze bestemming in Kroatië zijn. De eerste nacht in Frankfurt. ‘Het Hilton’, roept Bart enthousiast. ‘Midden in het centrum.’
Ik scroll nog snel door het nieuws voor we de snelweg verlaten: in Frankrijk zijn zestigduizend mensen geëvacueerd.
We rijden de straat in waar het hotel zich bevindt en ik zie drie figuren op de stoep zitten roken. Ze zuigen aan een soort pijpje, iets anders dan vapen. Verderop vist iemand een restje braadworst uit een vuilnisbak, steekt het in zijn mond en loopt door, zonder op of om te kijken.
Ik vraag Bart of hij heeft gekeken in wat voor buurt we zitten. Hij kijkt me onverschillig aan. ‘Wat maakt dat nou uit, het is in het centrum, vlak bij het station, hoe erg kan het zijn?’ We rijden een blokje rond het hotel om bij de ingang van de parkeergarage te komen. Die is goed beveiligd, met een sluis. Ze willen zeker weten dat hier niemand naar binnen glipt.
In Frankrijk zijn ondertussen honderdduizend mensen geëvacueerd.
Via de garage komen we in het hotel. Schoon en netjes. Bart gaat toch even de wijk googelen. ‘Oh ja, uh, precies deze vier straten rond dit blok is toch een beetje een minder goede buurt.’ Als we even later op weg gaan voor een drankje, begeven we ons in een onwerkelijke situatie. Tussen reusachtige wolkenkrabbers staan oude, statige huizen. In de portieken zitten mensen die er slecht aan toe zijn, mager, met een afwezige, holle blik. Ik merk dat ik onwillekeurig sneller ga lopen en mijn tas dichter tegen me aan houd. Heel anders dan de daklozen in Amsterdam, die een krantje bij de Appie verkopen. ‘Ze roken crack of zoiets,’ zegt Bart. ‘Iets dat heel verslavend is.’ In onze korte wandeling zien we er tientallen.
Op straat is het contrast schril: mensen in pak lopen met aktetassen langs de portieken, onaangedaan.
‘Hebben wij weer’, zegt Anna, ‘zitten we in crack-town.’
We eten met gemengde gevoelens in een fabelachtig Japans/Vietnamees restaurant dat in dezelfde straat als het hotel zit. Na het eten besluiten we nog een ijsje te halen. Onderweg pak ik Anna’s en Lina’s hand, kijk vaker om dan nodig, klaar om weg te lopen als er iets gebeurt. De totaal ontspannen gezichten van de kantoormensen indiceren dat ik me geen zorgen hoef te maken. We doneren de half opgegeten ijsjes aan de vuilnisbak en vallen onrustig in slaap.
Vlak voor ik wegdommel check ik nog één keer mijn telefoon: in Frankrijk zijn inmiddels tweehonderdvijftigduizend mensen geëvacueerd.
Morgen is de bestemming, een gigantisch Gasthaus op een alpenwei in Beieren.

Geef een reactie